Opzegging duurovereenkomsten: termijn en vergoeding

Door :

19 januari 2026

Duurovereenkomsten kunnen een groot goed zijn. Door een langdurige samenwerking kunnen partijen goed op elkaar ingespeeld raken en profiteren zij van de opgebouwde relatie. Maar wat als de samenwerking minder rooskleurig wordt? Of als andere omstandigheden zich voordoen waardoor voortzetting niet langer mogelijk of wenselijk is? Het opzeggen van een duurovereenkomst kan meer voeten in de aarde hebben dan het opzeggen van een reguliere overeenkomst. In deze blog zet ik de belangrijkste juridische aandachtspunten op een rij.

Duurovereenkomsten

Allereerst de vraag; wat is een duurovereenkomst?

Duurovereenkomst is een overkoepelende term voor overeenkomsten op grond waarvan contractspartijen verplicht zijn tot het verrichten van opeenvolgende of voortdurende prestaties. Denk bijvoorbeeld aan het verschaffen van huurgenot door verhuurder en het betalen van huurpenningen door de huurder.

Zoals de naam al doet vermoeden gaat het dus om overeenkomsten die voor een lange(re) periode, voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd, zijn aangegaan. Duurovereenkomsten zijn er in alle vormen en maten en slechts een deel daarvan is in de wet geregeld. Voorbeelden zijn de huurovereenkomst, arbeidsovereenkomst en de franchiseovereenkomst.[1] Een niet in de wet geregelde duurovereenkomst is bijvoorbeeld de distributieovereenkomst tussen een leverancier en retailer. Dat is dan een onbenoemde overeenkomst.

Voorbeelden benoemde duurovereenkomsten:

  • arbeidsovereenkomst;
  • huurovereenkomst;
  • franchiseovereenkomst.

Voorbeelden onbenoemde duurovereenkomsten:

  • distributieovereenkomst;
  • aandeelhoudersovereenkomst;
  • licentieovereenkomst

Bevoegdheid tot opzegging

De bevoegdheid van een contractspartij om een duurovereenkomst op te zeggen moet voortvloeien uit:

  1. de wet;
  2. de overeenkomst;
  3. de redelijkheid en billijkheid.

Voor de wettelijk geregelde duurovereenkomsten is vaak de opzegging wettelijk geregeld. Nu de wet daarin voorziet zal in deze blog daar niet bij worden stilgestaan. In de overige gevallen geldt dus dat de bevoegdheid moet voortvloeien uit een overeenkomst of de redelijkheid en billijkheid. Daarbij is ook het onderscheid tussen een duurovereenkomst van bepaalde of onbepaalde tijd van belang.

Opzegging van een duurovereenkomst van bepaalde tijd

Bij duurovereenkomsten van bepaalde tijd geldt – in het algemeen – dat deze van rechtswege (lees: automatisch) eindigen door het verstrijken van de overeengekomen duur. Tussentijdse opzegging is in beginsel niet mogelijk, tenzij één van deze twee uitzonderingen zich voordoet:

1) partijen zijn de mogelijkheid van een tussentijdse opzegging overeengekomen; of

2) sprake is van onvoorziene omstandigheden die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van dusdanig ernstige aard zijn dat de opgezegde partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten.[2]

Opzegging van duurovereenkomsten van onbepaalde tijd – termijn

Voor duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd geldt een ander regime. De algemene regel bij duurovereenkomsten van onbepaalde tijd is dat opzegging daarvan mogelijk is, mits een redelijke opzegtermijn wordt gehanteerd.[3] Soms is in de duurovereenkomst een opzegtermijn opgenomen en in voorkomende gevallen niet. In beide gevallen dient de opzegtermijn dus redelijk te zijn. De reden hiervoor is dat de opgezegde partij voldoende tijd moet hebben om een alternatief te vinden voor de opgezegde overeenkomst. Denk aan een supermarkt die een andere melkboer moet vinden of een haventerminal die een ander transportbedrijf moet vinden.

De vraag die dan rijst is wat een redelijke termijn is? De Hoge Raad[4] heeft daarover geoordeeld dat voor het antwoord op die vraag de wederzijdse belangen van partijen moeten worden afgewogen. Daarbij kan relevant zijn de aard en het gewicht van de reden voor de opzegging door de opzeggende partij en of de opgezegde partij al langer rekening kon houden met de opzegging. In dit laatste geval kan een korte(re) opzegtermijn redelijk zijn.

Maar wat nu als blijkt dat geen redelijke termijn in acht is genomen? Dan kan de rechter oordelen dat de opzegging ongeldig is. De overeenkomst is dan niet komen te eindigen.

Vergoeding

Naast dat sprake moet zijn van een redelijke termijn voor de opzegging is het ook mogelijk dat de opzeggende partij een passende vergoeding aan de opgezegde partij moet aanbieden[5]. Van dit laatste kan sprake zijn als de opgezegde partij in het kader van de samenwerking investeringen heeft gedaan die niet worden gecompenseerd door de lengte van de opzegtermijn.[6] De omvang van deze schade wordt weer bepaald aan de hand van de redelijkheid en billijkheid.[7]

Wat als dit aanbod niet door de opzeggende partij wordt gedaan? In het Leen Bakker arrest uit 2024 heeft de Hoge Raad bepaald dat het niet aanbieden van een dergelijke vergoeding niet tot het gevolg heeft dat de opzegging in de regel ongeldig is[8]. Wel kan het zo zijn dat de omstandigheden meebrengen dat de opzegging waarbij niet tegelijkertijd een passende vergoeding wordt aangeboden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is. In dat geval is de opzegging niet geldig.

Opzegbevoegdheid wel in overeenkomst

Stel u heeft met een partij een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten en daarin is de bevoegdheid opgenomen om de betreffende overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een redelijke termijn. Er is dus 1) een bevoegdheid en 2) een redelijke termijn. Betekent dit dat u of uw wederpartij zonder meer daarvan gebruik mag maken? Het antwoord is nee.

Een beroep op een opzeggingsbepaling uit een overeenkomst mag niet onaanvaardbaar zijn. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, ook bekend als de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, is het mogelijk dat een beroep door een partij op een contractuele bevoegdheid onaanvaardbaar is en daarom buitenwerking wordt gesteld. Het moet dan dus wel om omstandigheden gaan waardoor een beroep op een bepaling die de opzegging regelt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.[9] Dit is een hoge drempel en dient door een rechter te worden getoetst.

Conclusie

Bij het opzeggen van een duurovereenkomst is van belang om voorafgaand aan de opzegging te beoordelen of een beoogde opzegging in het gegeven geval mogelijk is en onder welke voorwaarden. Een verkeerde inschatting kan immers leiden tot het gevolg dat de opzegging achteraf ongeldig wordt verklaard en de duurovereenkomst dus niet is komen te eindigen. Dit met alle gevolgen van dien.

Overweegt u een duurovereenkomst op te zeggen of heeft uw contractspartij de samenwerking opgezegd? Laat u dan adviseren en neem contact op met Mirjam den Haan via denhaan@hslaw.nl.

[1] De franchiseovereenkomst is sinds 1 januari 2021 wettelijk geregeld, artikel 7:911 e.v. BW
[2] HR 21 oktober 1988 NJ 1990, 439 (Mondia/ Calanda)
[3] HR 16 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6137; HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (De Ronde Venen / SNU/Stedin)
[4] HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, NJ 1995, 437 (Kakkenberg/Kakkenberg)
[5] HR 21-6-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka)
[6] HR 21-6-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka)
[7] Afdeling 6.1.10 BW is niet van toepassing.
[8] HR 29-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1709 (Leen Bakker)
[9] HR 6-11-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2769, NJ 1999, 132 (Sassen/Kluwer) en HR 2-2-2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/ SMQ)