Door :
31 december 2025
Op 23 juni 2025 kwam uit het WODC-rapport ‘Onderzoeksrapport Universiteit Leiden SEO Economisch Onderzoek over de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie’[1]. Een panel van gerenommeerde professoren en juristen kwam met een analyse en aanbevelingen. De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie (hierna: ‘Tijdelijke wet’) wordt nog een tijdje voortgezet, dus dat is een mooi resultaat. De vraag die menig curator beantwoord had willen zien, is alleen niet beantwoord:
Om hoeveel maatschappelijke schade gaat het?
De onderzoekers willen hun handen aan die vraag niet branden. Vanuit een academisch perspectief begrijpelijk, maar vanuit de fraudeaanpak niet. Er wordt om de hete brei heen gerapporteerd. Het is een voorzichtig rapport, en zeer genuanceerd. Wellicht is het dan ook een rapport wat uitgenodigd tot wat minder voorzichtige of genuanceerde reacties.
De turboliquidatie van artikel 2:19 lid 4 BW is een weeffout binnen ons wettelijk systeem. Ons Parlement heeft vanuit een positieve inborst niet nagedacht over de frauduleuze mogelijkheden van dit voorstel. Ook heeft ons Parlement niet nagedacht over de toename van het aantal turboliquidaties tot gemiddeld 40.000 stuks per jaar de afgelopen jaren. Ons Parlement, waarin het ontbreekt aan juridisch onderlegde Kamerleden, knijpt de ogen toe voor problemen en dus is die Tijdelijke wet en de verlenging daarvan wel het hoogst ‘democratisch’ haalbare. Het doet denken aan de een ijsberg, waar maar tien procent zichtbaar is en negentig procent onder water drijft.
In de spaarzame rapporten die er in het verleden zijn gemaakt en waar een van de leden van het onderzoeksteam van de Leidsche Universiteit ook onderzoek naar heeft gedaan, wordt gedacht dat zich bij faillissementen in ongeveer 25% – 38% van de gevallen onregelmatigheden voordoen. Zoals u weet wordt een faillissement afgewikkeld door een curator onder toezicht van een rechter-commissaris.
Indien de aanname is dat zich bij een gecontroleerde liquidatie van een onderneming al voor een percentage van minimaal 25% onregelmatigheden voordoen, wat zal dan logischerwijs het percentage zijn bij een niet gecontroleerde liquidatie van een vennootschap?
Al in de inleiding op bladzijde 15 van het 218 bladzijden tellende rapport komt het onbevredigende antwoord op mijn zoektocht naar de omvang van de maatschappelijke schade.
“In situaties waarin sprake is van doelbewust misbruik of onrechtmatige toepassing van de turboliquidatie wordt de effectiviteit van de Tijdelijke wet sterk betwijfeld, omdat in die situatie waarschijnlijk geen glasheldere en waarheidsgetrouwe documenten ter inzage zullen worden gelegd en de voormalig bestuurders vaak uit beeld zijn. Het inzagerecht zal in die situaties niet altijd uitkomst bieden omdat de voormalige bestuurders, de bewaarder van de administratie of de administratie zelf niet vindbaar blijken”.
In hoofdstuk 6 van het rapport wordt vermeld dat in de periode 2018-2025 van de 260.000 bedrijfsbeëindigingen 80% via de Turboliquidatie heeft plaatsgevonden. Met name na de Covid en voor de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet is er een forse toename geweest naar circa 40.000 (turbo)liquidaties per jaar. Ook de nalevingsverplichting van de verantwoordingsplicht zakt onder de 50% aldus het onderzoek door het Handelsregister.
Op rechtspraak.nl en de site www.faillissementsdossier.nl worden de faillissementsvonnissen gepubliceerd. De uitspraken waarbij via artikel 2:19 lid 4 BW alsnog faillissementen worden uitgesproken zijn schaars. Dat valt te verklaren uit het feit dat de crediteur geen inzage heeft in de administratie van de geliquideerde vennootschap en toch zal moeten aantonen (summier weliswaar) dat sprake is (geweest) van onregelmatigheden. De gemiddelde ondernemer neemt zijn verlies en de fiscus heeft te maken met beleidsregels en richtlijnen en zal ook niet snel de rechtbank verzoeken om een curator. Dat terwijl de fiscus vaak de grootste schuldeiser is.
Wij hebben geen idee, want er is geen empirisch onderzoek gedaan. Dus wij kunnen twee richtingen op.
De 1e richting is de meest eenvoudige. Wij bagatelliseren het probleem omdat wij het nieuws niet aankunnen, dat het om vele en vele miljarden euro’s per jaar gaat. Wij doen dan de zaak of door te stellen dat ‘Turboliquidatie volstrekt anders is dan liquidatie door faillissement en die faillissementscijfers kan je niet extrapoleren op de turboliquidatie’, of de kring van betrokkenen wordt vergroot en dan stel je, ‘dat kan toch niet waar zijn, dan zeg je dus dat minimaal 25% van de ondernemers fraudeurs zijn’.
De 2e richting is de meer lastige en politiek niet eenvoudig haalbaar. De bestrijding van fraude betekent allereerst het proberen van het vaststellen van de omvang. Maar daarvoor zijn middelen nodig die er niet zijn. Dus die middelen moeten worden vrijgemaakt allereerst binnen het Ministerie van Justitie. Maar het Ministerie van Justitie staat ook onder druk, want ook andere Ministeries willen meer budget. Als dat budget er dus niet is voor het Ministerie van Justitie dan wordt het schrapen voor budget binnen het Ministerie van Justitie en dan wordt het lastig.
En dus geschiedde dat het artikel 2:19 lid 4 BW, dat met goede bedoelingen is ingevoerd, tot een zeer eenvoudige methodiek is verworden om vennootschappen met schulden ‘af te laten zinken’.
De Tijdelijke wet en het advies om de wet tijdelijk te verlengen, omarm ik van harte en in die zin grote dank aan de onderzoekers en hun bevindingen, maar de vraag die ik als (fraude)curator wil weten is: wat is de omvang van de maatschappelijke schade?
In de tussenconclusie 7.11 onder VIII wordt misbruik door een deel van de zakelijke dienstverleners onderkend. De conclusie is verder dat de mate van misbruik moeilijk valt vast te stellen, omdat misbruik alleen aan het licht komt als schuldeisers aan de bel trekken of als toezichthouders ingrijpen. De gemiddelde crediteur die een grote mate van informatieachterstand heeft, weet op basis van de bekende feiten niet, wat de redenen van de bedrijfsbeëindiging zijn en een frauderende bestuurder | aandeelhouder zal niet snel genegen zijn, om zijn onbehoorlijke taakvervulling of ernstige verwijten kenbaar te maken. Maar als de crediteur dan al een vermoeden heeft, dan is de faillissementsaanvraag ook geen gelopen race, want de schuldeiser zal die fraude aannemelijk moeten maken. Veelal heeft de crediteur geen zin in negatieve energie en nog meer kosten en denkt ‘laat maar zitten’.
Dit rapport kwantificeert de omvang in maatschappelijke schade niet en dat is een gemiste kans, dus ik ben gaan zoeken naar andere rapporten.
In 2021 heeft het WODC bijvoorbeeld een onderzoek gedaan met titel ‘Verkenning naar aanpak van veelplegers van faillissementsfraude’[2]. De conclusie was: het is lastig een profiel te schetsen van een veelpleger van faillissementsfraude. Grofweg kan gesteld worden dat veelplegers van faillissementsfraude doorgaans mannen zijn en ouder zijn dan dertig jaar. Qua sociaaleconomische achtergrond lijkt er geen duidelijke rode lijn te zijn; hieruit kan worden geconcludeerd dat de groep veelplegers van faillissementsfraude meer divers is dan de typische witteboordencrimineel.
Binnen de groep veelplegers van faillissementsfraude kunnen drie rollen onderscheiden worden. Dit betreft de fraudeur, de katvanger en de dienstverlener. De archetypische faillissementsfraudeur is niet te vangen in één profiel. Deze groep fraudeurs valt eerder uiteen in vier typologieën, namelijk de crisis-gedrevene, de gelegenheidspakkers, de gelegenheidszoekers en stereotype criminelen. Veelplegers van faillissementsfraude laten zich doorgaans het best categoriseren als gelegenheidszoekers, een groep die willens en wetens op zoek gaat naar mogelijkheden om faillissementsfraude te plegen. Echter, de typen faillissementsfraudeurs staan niet volledig los van elkaar; personen ontwikkelen zich en bewegen zich tussen de verschillende typen.
Ook dit rapport kwantificeert de omvang in maatschappelijke schade echter niet.
Het WODC heeft in 2024 ook het 3365-rapport geschreven met naam ‘De beloning van curatoren van lege boedels’[3] en schrijft in het nieuwsbericht ‘curatoren missen vaak financiële middelen om fraude aan te pakken’.
Uit eigen ervaring weet ik dat dit juist is, en dat vele van mijn mede-curatoren dan ook geen diepgravend onderzoek gaan doen op eigen kosten. Het gevolg daarvan is dat binnen de wel uitgesproken faillissementen het al niet duidelijk is wat de omvang in Euro van de faillissementsfraude is.
Bij de turboliquidaties waar de vereffening buiten zicht van een curator en rechter-commissaris om gaat, is die controle er nog minder. Deze lege boedels leiden tot 8 miljoen euro aan onbetaalde salarissen en dwingt curatoren om onbetaald werk te doen of hun onderzoek te staken. De meeste doen dus het laatste en geef ze ongelijk.
Follow the Money[4] rapporteert redelijk recent dat in 38% [5]van de gepubliceerde openbare verslagen door curatoren sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Daarnaast zou 80% van de curatoren geen actie ondernemen tegen de (geconstateerde) fraude[6].
In een onderzoek van materie deskundige Jessie Pool van de Universiteit Leiden zou blijken dat zelfs bij 30 tot 50% van alle faillissementen sprake is van onregelmatigheden[7].
In verschillende onderzoeken naar faillissementsfraude wordt dus geconcludeerd dat faillissementsfraude tot aanzienlijke maatschappelijke schade leidt. Zo concludeert een onderzoeksrapport uit 2005 dat in een kwart van de faillissementen faillissementsfraude wordt gepleegd. En komt het CBS in haar rapport van 2010 op een percentage van 23,6 procent aan strafbare en/of onrechtmatige benadeling van schuldeisers uit.
Naar aanleiding van onder andere de cijfers van het CBS is de Wet versterking positie curator ontwikkeld. Hoogleraar Insolventierecht Vriesendorp stelt echter dat deze cijfers een magere en gebrekkige onderbouwing vormen. Het volgende rapport van het CBS in 2015 bevestigt weliswaar de gesignaleerde trend met een percentage van 30,1 procent aan strafbare en/of onrechtmatige benadeling van schuldeisers, maar het blijft volgens Vriesendorp twijfelachtig wat nu de echte fraudezaken betreffen. In een onderzoek naar faillissementsfraude in 2021 zijn 800 dossiers van de Rechtbank Den Haag behandeld en daar komt het percentage uit op afgerond 20%[8].
In het boek ‘de fraude bestrijdende faillissementscurator’ stelt promovendus Robin de Vries[9] dat volgens de laatst beschikbare cijfers uit 2015 in bijna een derde van alle faillissementen sprake was van fraude, met een geschatte waarde van € 1.560.000.000. In 2015 waren er 8964 faillissementen[10]. Hieruit volgt een gemiddelde maatschappelijke schade van € 174.029,45 per faillissement.
In numeriek opzicht hetzelfde, maar wellicht wat genuanceerder gesteld is bij een (fraude)faillissement wat in zeg 20% van de faillissementen speelt, is er dus een gemiddelde maatschappelijke schade van € 870.147,25 per fraudefaillissement. Dit bedrag zal meer aansluiten bij de praktijk. In mijn meest recente fraudefaillissementen varieert de maatschappelijke schade tussen ruim € 1 MIO en € 5 MIO. Dus (ruim) boven dat bedrag van € 870.147,25.
De afgelopen jaren zijn er ongeveer jaarlijks 40.000 vennootschappen via de route van artikel 2:19 lid 4 BW (turbo-liquidatie) uitgeschreven uit het Handelsregister. Daarnaast zijn er in 2024, 4270 ondernemingen failliet verklaard. Indien dus een totaal van 44.000 geliquideerde vennootschappen via faillissement en turbo-liquidatie wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde maatschappelijke schade dan is kan de jaarlijkse schade dus begroot worden op € 7.657.295.800,00.
Voor de geïntegreerde aanpak van (faillissements)fraude is dus meer nodig dan de voortzetting van de Tijdelijke wet. Want alleen een analyse zonder oplossingsrichtingen brengt de aanpak van de fraude niet op een hoger plan. De oplossingsrichtingen die ik voorstel en zal uitdragen in het periodieke fraude-spreekuur op de rechtbank Den Haag en bij contacten bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de FIOD, het OM en verder iedereen die mee wil denken zijn (niet limitatief) de volgende:
– De Garantstellingsregeling curatoren (hierna: ’GSR’) wordt nu gefinancierd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Als de actie succesvol is, dan wordt het Ministerie terugbetaald, maar de overige opbrengsten vallen veelal toe -voor een groot deel- aan de Belastingdienst/Ontvanger. Indien die opbrengsten zouden worden gestort in een aparte ‘kas’ onder beheer van Dienst Justis van het MvJenV en de Belastingdienst, dan wordt de slagkracht van de GSR exponentieel versterkt;
o Dit kan dan inhouden dat:
– De wetgever bewegen om artikel 2:19 lid 4 BW aan te passen, in de zin dat het verplicht wordt om bij turboliquidatie een samenstelverklaring van een accountant wordt vereist;
– De wetgever bewegen om artikel 2:19 lid 4 BW aan te passen, in de zin dat wanneer een crediteur vermoedt dat er fraude is, dat de rechtbank een curator en rechter-commissaris kan benoemen, zonder dat de schuldeiser het risico loopt om misbruik van recht tegengeworpen te krijgen, waarbij de te benoemen curator aanspraak kan maken op de GSR voor ten minste de rubriek onderzoek.
Ik noemde dit artikel TURBOLIQUIDATIE, fraudetool of niet? En dan moet ik die vraag ook beantwoorden. Kort samengevat is de intentie van de wetgever goed geweest en in lijn met de maakbare samenleving. De redactie en het niet nadenken over de mogelijke gevolgen valt als naïef te bestempelen. Natuurlijk wordt er misbruik gemaakt als het zo simpel is om misbruik te maken. En dan is een percentage tussen 25 en 50% wel heel veel als dat gekwantificeerd wordt.
Persoonlijk denk ik dat de raming van € 7.657.295.800,00 nog aan de voorzichtige kant is en dat de daadwerkelijke fraude die door de turboliquidatie mogelijk is gemaakt en simpelweg plaatsvindt wellicht maar zo het dubbele is, dus € 15.314.591.000,00 . Hiervoor is nader empirisch onderzoek nodig wat gefinancierd moet worden, maar wat prima zou kunnen vallen binnen de doelstelling van de GSR.
Kortom: werk aan de winkel.
Meer weten? Neem contact op met Frederik Barthel.
[1] WODC Onderzoeksrapport Twtt
[2] https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2021/09/27/aanpak-veelplegers-van-faillissementsfraude-stuit-op-obstakels
[3] https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2025/01/30/faillissementscuratoren-missen-vaak-financiele-middelen-om-fraude-aan-te-pakken
[4] Een derde van alle faillissementen is verdacht, maar fraudeurs worden zelden bestraft – Follow the Money – Platform voor onderzoeksjournalistiek
[5] Hoe kunnen fraudeurs bij faillissementen vrijuit gaan? – Universiteit Leiden
[6] ‘80 procent van de curatoren doet geen melding van faillissementsfraude’ – Follow the Money – Platform voor onderzoeksjournalistiek
[7] Faillissementsfraude blijft vaak onbestraft · Accountancy Vanmorgen
[8] Bron: masterscriptie C.P. van der Hek, RUL (28 juli 2022)
[9] De fraudebestrijdende faillissementscurator | Promoties 2024 | Promoties | Rijksuniversiteit GroningenOndernemingsrecht, R.E. de Vries, De fraudebestrijdende faillissementscurator. Een onderzoek naar de taken en bevoegdheden van de curator in het faillissement van een rechtspersoon bij de bestrijding van fraude (Recht en Praktijk nr. InsR23) (diss. Groningen), Deventer: Wolters Kluwer 2024 | InView
[10] Faillissementen oorzaken en schulden 2015 | CBS